Over Sint-Gummarus

Op de pagina over het onstaan van Lier kan je lezen hoe de Franken aan de wieg stonden van het dorp Emblem. Het grondgebied van de opeenvolgende plaatselijke heersers aldaar slorpte doorheen de jaren verschillende dorpskernen en afzonderlijke hoeven op en maakte van hen echte grootgrondbezitters. Eén van deze heren was Sint-Gummarus, die later uitgeroepen zou worden tot stichter en schutspatroon van de stad Lier.

Etymologie

De naam “Gummarus” (of volgens Anton Bergmann ook wel Gommarus, Guntmarus, Gunthmarus, of Gontmarus geheten) stamt vermoedelijk af van het Germaanse “Gothmaru”, naar Gothmar, wat god of strijd betekende, en maru, wat vermaard of geroemd wilde zeggen. Gothmaru betekende dus zoveel als “door god geroemd” of “door de strijd vermaard”. Het lijkt mij ergens mogelijk dat Gummarus, gezien deze toch wel bijzondere betekenis van zijn naam, oorspronkelijk een heel andere naam droeg. Die zullen we echter nooit weten, en uit eerbied voor deze heilige man en de traditie rond hem ga ik er maar vanuit dat hij inderdaad Gummarus heette, of zoals men hem in Lier pleegt te noemen, Goemmer.

Het vroege leven van Gummarus

Het leven van onze Gummarus begon ergens in de tweede helft van de zevende eeuw, als zoon van de heer en dame van het domein dat als kern de villa of het kasteel nabij het dorp Emblem had. Op jonge leeftijd zou Gummarus naar het hof van de Merovingisch koninklijk hof in Metz gestuurd zijn, om daar opgeleid te worden in (voornamelijk) de krijgskunsten. Het domein van zijn ouders bevond zich immers in het “Land van Ryen”, een gebied dat toentertijd grensde aan het land van de Friezen waarmee de Merovingische Franken op zeer gespannen voet leefden. Gummarus trouwde aan het hof met een zekere Grimmara: aanvankelijk een mooie, vriendelijke dame die helaas mettertijd zou veranderen in een kwalijke, humeurige tang. Gummarus werd uiteindelijk door Pepijn II van Herstal beloond met het beheer van zijn voorouderlijk domein, alsook met het aanvoeren van zijn persoonlijke strijdmacht aldaar. Door Pepijn werd hij eveneens op campagne gestuurd tegen de Friezen in het noorden.

De Sint-Gummarusverering spreekt van enkele “wonderen” die plaatsvonden na zijn terugkeer van deze veldslagen. Ik bespreek deze hier even kort, en geef eigen bedenkingen bij deze mirakels, zonder daarmee echter afbreuk te willen doen aan de verering van onze heilige stadspatroon.

Het wonder van de bron

Na al het strijdgeweld tegen de toen nog zeer “heidense” Friezen, keerde een vermoeide en geestelijk beproefde Gummarus terug huiswaarts. Daar aangekomen, vernam hij van zijn onderdanen hoezeer zijn vrouw hen zou mishandeld hebben. Zo zou zij bijvoorbeeld hun vee onrechtmatig opgeëist hebben. Daarop riep Gummarus al zijn vazallen en dienaren bij zich en in bijzijn van Grimmara gaf hij alles terug wat zij hen afgenomen had.

Op zeker moment, tijdens een snikhete zomerdag, had Grimmara enkele veldwerkers zodanig opgejaagd hebben bij hun werk dat zij hen zelfs een enkele slok water ontzegde. Misschien wilde zij zo wel wraak nemen op hen na de vernedering bij haar echtgenoot eerder. Gummarus hoorde hiervan en spoedde zich ter plaatse. Terwijl zijn vrouw tegen hem tekeer ging en riep hoe lui de boeren wel waren, bad hij in stilte tot God, terwijl hij leunde op zijn wandelstok. Hierbij drukte hij deze diep in de grond waardoor er plots een bron opwelde. De werklui keken verbaasd toe, maar snelden al gauw op het water af om hun dorst te lessen. Deze bron werd later ommetseld en diende mogelijks als drinkwatervoorziening voor de villa. Later werd boven deze bron een kapel gebouwd, waar tegenwoordig nog steeds de Sint-Gummaruskapel te Emblem zich bevindt.

Bedenking: deze bron was vermoedelijk al veel langer aanwezig. Een grote villa, met waarschijnlijk veel huispersoneel, vraagt natuurlijk om de nodige voorziening van onder meer schoon, fris drinkwater. Misschien haalde Gummarus wel gewoon een emmer water op uit zijn bron, en gaf hij deze emmer aan zijn dienaren, tegen de wensen van zijn vrouw in?

Het wonder van het kind

Een ander wonderverhaal vertelt ons hoe Grimmara, die booswicht, een kersverse moeder dwong direct na de geboorte van haar kind het veld op te gaan. De boreling bleef in zijn wiegje achter naast het veld. Een adder kroop in de wieg en viel het kind aan. Het serpent zou al grotendeels in de mond van de baby gekropen zijn, wanneer als bij wonder Gummarus langsloopt. Gummarus ziet de staart van de adder nog uit de mond van baby steken en trekt het dier er in één ruk terug uit. De boreling overleeft dit hele gebeuren gelukkig zonder gevolgen.

De genezing van Grimmara

Na gezien te hebben hoe haar echtgenoot tegen haar wil in haar lijfeigenen voorzag van fris water, haastte Grimmara zich huiswaarts, alsmaar kwader en kwader, tot zij zodanig opgewonden thuiskwam dat zij er ziek van geworden zou zijn. Zo ziek zelfs dat men vreesde voor haar leven, en de snelste dienaar er op uit stuurde om haar echtgenoot te waarschuwen. Gummarus nam hierop wat water mee van de nieuwe bron en haastte zich naar haar toe. Na zijn gebeden en enkele slokken van het water herstelde Grimmara volledig, en ook haar gedrag veranderde wonderbaarlijk. Zij werd terug die lieve, vriendelijke vrouw waarmee Gummarus oorspronkelijk getrouwd was. Helaas kwam zij kort hierna toch te overlijden, en liet onze Gummarus zonder kinderen achter in zijn enorme villa te Emblem.

Bedenking: veel heiligen worden in verband gebracht met geneeskrachtige bronnen, meestal door henzelf ontdekt. Omwille van de grotere glorie van hun heilige en de verering ervan, samen met de vergroting van de daaraan gekoppelde bedevaartsinkomsten, hebben veel kroniekschrijvers destijds dit soort verhalen (net als dat van de adder, zij het dan onder andere vormen) van elkaar overgenomen.

Gummarus en Rumoldus

Gummarus was destijds zeer goed bevriend met de missionaris Rumoldus, die vanuit Ierland naar Mechelen gekomen was om daar de mensen tot het katholieke christendom te bekeren. Zij ontmoetten elkaar vaak aan de oevers van de Nete nabij Duffel, halverwege Mechelen en Lier, en spraken daar met elkaar over hun bekeringsdaden. Maar ook over “hemelse zaken” en manieren om het heidendom voorgoed uit te roeien in hun gebieden. Toen zij op een dag hun wandelstokken in een holle eik staken, schoten deze plotseling terug in bloei en groeiden er takken en bladeren aan alsof het terug jonge boompjes geworden waren. Op de plek van dit wonder bouwde men later een kapel ter nagedachtenis aan deze ontmoetingen en aan dit mirakel. De kapel bevond zich oorspronkelijk langs de Mechelsebaan, aan het kruispunt met de Stormsschranslaan. Na de verbreding van de Mechelsebaan in 1971 werd de kapel echter een heel eind verderop in de Stormsschranslaan geplaatst, waar deze nu nog steeds staat, verloren en verwaarloosd.

Bedenking: het kan zeker kloppen dat beide heren elkaar ondersteunden in hun bekeringsplannen. Toentertijd was het gebruikelijk dat de plaatselijke heer zijn onderdanen dwong hetzelfde geloof aan te hangen, zeker als deze onderdanen nog “heidens” waren. Dit werd immers ook vanuit het koninklijk hof zo afgedwongen. Het belang dat het verhaal van dit wonder zich afspeelt in verband met een eikenboom wordt bij het volgende wonder nog iets meer besproken.

Het mirakel van de boom

Het wonder van de boom wordt meestal in een kort verhaaltje verteld. Een uitgebreide versie van dit mirakel vinden we terug in “Leven en verering van Sint-Gummarus“, geschreven door Felix G.A. Brenart in 1768. Er bestaat slechts één exemplaar van de originele tekst, welke ons boeiende en soms vergeten details oplevert over de verering van Sint-Gummarus en de stad Lier in het algemeen. Hier volgt het wonderverhaal volgens Brenart.

Na het overlijden van zijn echtgenote Grimmara en gezien het feit dat hij geen nakomelingen had, stelde Gummarus zich volledig ten dienste van God. Zo wou hij op bedevaart naar Rome gaan, naar het graf van de Heilige Apostelen, en onderweg halthouden aan het hof van Pepijn om ontslagen te worden uit zijn ambt als heer van zijn domein. Zijn goede vriend Rumoldus slaagt er echter in hem hier vanaf te doen zien, omdat Rumoldus vreesde dat een langdurige afwezigheid van Gummarus te veel schade zou berokkenen aan hun reeds verrichtte bekeringswerken. In plaats daarvan raadde hij Gummarus aan een kerk op te richten ter ere van de Heilige Apostelen, zodat hij zijn verering ter plaatse kon uitvoeren (en daar meteen ook de plaatselijke bevolking bij kon betrekken). Gummarus keerde terug huiswaarts, en beval zijn onderdanen meteen met de bouw van de kapel te starten. Deze moest opgericht worden op een schiereiland aan de overzijde van de Nete waar hij recentelijk een nieuwe haven opgericht had. Toen hij hier ook een klooster voor liet bouwen had hij een nieuwe voorraad bomen nodig, en beval hij zijn mensen de bomen aan de overkant van de rivier om te hakken. Eén van die bomen was een mooie, grote eik die toebehoorde aan een herder die zijn hut in de schaduw van de boom gebouwd had. De herder deed zijn beklag bij Gummarus, die daarop zijn mensen opdroeg de boom op te tillen en terug op de stronk te plaatsen. Hij draaide zijn riem rond de boom, waarna deze terug aan elkaar groeide. Enkel de indrukken van zijn riem waren nog, gedurende eeuwen, zichtbaar in de stam.

De boom werd uiteindelijk neergehaald, mogelijks omdat deze gestorven was. Op de plek waar deze eik gestaan zou hebben bouwde men later een kerk met kluizenaarswoning voor de priester, die bekend zou komen te staan als de Kluizekerk. Een ijzeren boompje gaf er de exacte plaats van de eik aan. Deze ijzeren boom werd later verplaatst naar de Sint-Gummaruskerk. De riem van Sint-Gummarus wordt trouwens bewaard in de schatkamer van de Sint-Gummaruskerk.

Bedenking: vaak was het zo dat missionarissen en zelfs koningen of keizers opdracht gaven de plaatselijke heilige boom, meestal een eik of een linde, om te hakken om zo te tonen aan de “heidenen” dat hun goden hier niets tegen ondernamen. Zo was er de Donareik die in de achtste eeuw in Geismar nabij Fritzlar (Duitsland) stond en omgehakt werd door Bonifatius, en Irminsul, de heilige eik van de Saksen die door Karel de Grote werd omgehakt tijdens diens oorlogen tegen hen. Wonderverhalen over deze bomen werden nadien vaak opgetekend om aan te tonen dat de christelijke God wél op deze feiten reageerde door mirakels te laten gebeuren op de plaats waar deze “heidense” bomen vernield werden.

Sint-Gummarus

Gummarus stierf een natuurlijke dood op 11 oktober 714. De overleveringen, verhandelingen en wetenschappelijke onderzoekers zijn het over dit jaartal soms oneens. Volgens sommigen stierf hij immers pas in 775. Maar omdat hij, zoals we reeds lazen, bevriend zou geweest zijn met Sint-Rombouts (wiens relikwieën bij een koolstofdatering aangaven dat hij al overleden zou zijn tussen 580 en 655!) ga ik ervan uit dat hij inderdaad in 714 overleed.

Hij zou begraven worden nabij zijn villa te Emblem, maar één van de zusters van het klooster te Nivesdonck genaamd Vurachildis of Wrachtilt, kreeg ‘s nachts van een engel te horen dat Gummarus liever in de Sint-Pieterskapel begraven zou worden. Omdat zij vreesde niet geloofd te worden verzweeg zij deze openbaring, waarna de engel nog eens aan haar verscheen. Zij hield ook deze openbaring stil, waarna Gummarus zelf in haar droom verscheen. Om haar te helpen de mensen te overtuigen dat zij de waarheid sprak, drukte hij zijn hand op haar wang. ‘s Anderdaags had zij nog steeds een witte afdruk van zijn hand op haar gezicht, waardoor men haar inderdaad geloofde. Maar enkel een lokale veehoeder, die nog mee aan de opbouw van de kapel gewerkt had, kon zijn dode lichaam opheffen en in een klein bootje plaatsen, dat als bij wonder zelfstandig wegdreef over de Nete en vlak voor de Sint-Pieterkapel tot stilstand kwam.

In 754 werd zijn stoffelijk overschot opnieuw begraven, in het bijzijn van Nicolaas III, de bisschop van Kamerijk, die het stoffelijk overschot in een reliekkoffer op het altaar van de kapel plaatste. Hierbij werd Gummarus, reeds 40 jaar na zijn overlijden, heilig verklaard. De bedevaarten namen hierdoor in kracht toe, waardoor de monastieke gemeenschap in Lier zich kon ontwikkelen tot een kapittel van kanunniken, en waardoor Lier onder uitdrukkelijke bescherming kwam van de hertogen van Brabant. In 1212 kreeg Lier de stadsrechten van hertog Hendrik I, en koos men Sint-Gummarus tot stadspatroon. Zijn reliekkist wordt tot heden bewaard in de Sint-Gummaruskerk in het reliekschrijn daterend uit 1668 en vervaardigd door de Antwerpse zilversmid Wierick III Somers. Op de vier zilveren platen staan afbeeldingen uit het leven van Gummarus: het wonder van de boom, het wonder van de bron, het wonder van het kind, de ontmoeting met Rumoldus en de marteldood van priester Fredegerus die gedood werd door de Noormannen in 837. Tijdens de Sint-Gummarusbedevaart in oktober wordt het reliekschrijn plechtig tot in het midden van de kerk gedragen waar het gedurende heel de bedevaartperiode staat opgesteld. Tijdens de Sint-Gummarusprocessie wordt het reliekschrijn tijdens de traditionele Sint-Gummarusprocessie door de stad gedragen door 16 leden van het Genootschap van de Kasdragers van Sint-Gummarus.

Bronnen

Deel dit bericht: