Noormannen in Lier

Na een eerste keer gesignaleerd te zijn nabij het Engelse Dorset in 789, voerden de Noormannen met hun snelle schepen op 8 juni 793 een onverwachte roofoverval uit op het kloostereiland Lindisfarne. Deze inval markeerde het begin van het Vikingtijdperk. Een klerk, verbonden aan het hof van Karel de Grote schreef over deze inval:

“Nooit eerder is er zo een terreur in Brittannië geweest, zoals wij nu geleden moeten hebben van een heidens ras. De heidenen hebben rond het altaar het bloed van heiligen uitgestort en de lichamen van heiligen vertrappeld in de tempel van God zoals mest in de straat.”

Hierna teisterden de ‘mannen van het Noorden’ vele decennia lang niet alleen de kustgebieden maar ook de meer inlands gelegen dorpen, steden en religieuze centra van Europa.

Een 9de eeuwse Game of Thrones

Na de dood van Karel de Grote in 814 werd zijn zoon Lodewijk de Vrome koning van het Frankische Rijk en vervolgens keizer van het Roomse Rijk. Tezelfdertijd moest de Deense koning Klakk-Haraldr (Harald Klak, wat letterlijk “Harald de Bezoedelde” betekende) uitwijken naar het Frankische Rijk, omdat hij bij een machtsstrijd zijn positie verspeeld had. Lodewijk zag hierbij een opportuniteit om in het rumoerige noorden van zijn rijk – met name in en rondom de streken van Saksen en Frisia – een zekere stabiliteit te brengen door Harald Klak aan te stellen voor de verdediging tegen toekomstige invallen van Noormannen. Maar ook, en misschien vooral, hoopte Lodewijk hiermee op termijn een zekere invloed in Denemarken te bekomen. Harald Klak werd daarom als vazal opgenomen aan het Frankisch hof. Hij liet zich eveneens dopen, want zo dacht hij op zijn beurt immers op steun van de Frankische vorst te kunnen rekenen bij zijn latere terugkeer naar Denemarken. Helaas voor hem moesten de “heidense” Denen hem daarna helemaal niet meer als koning hebben, en zou hij telkens weer uit Denemarken verdreven worden.

(Afbeelding rechts: Lotharius I)

In 829 wilde Lodewijk de Vrome zijn rijk herindelen ten voordele van zijn jongste zoon Karel (de latere keizer Karel II, genaamd de Kale). Dit ging echter in tegen de eerder vastgelegde indeling (de ‘Ordinatio Imperii’) onder zijn oudere zonen, Lotharius van Italië, Pepijn van Aquitanië en Lodewijk de Duitser. Deze kwamen ten gevolge hiervan, en opgestookt door hun ooms en neven en door een aantal ontevreden edelen, in 830 openlijk in opstand tegen hun vader en drie jaar later werd Lodewijk de Vrome door Pepijn en Lodewijk De Duitser afgezet en gevangen genomen. Lotharius (de oudste van de drie) probeerde vervolgens het hele rijk voor zich te nemen, maar zijn broers keerden zich daarop tegen hem en herstelden hun vader in zijn macht als keizer. Lotharius werd verbannen naar zijn koninkrijk Italië. Hij liet het daar echter niet bij, en probeerde al snel zo veel mogelijk medestanders aan zijn zijde te verzamelen tegen de keizer, waaronder ook de Deense prins Harald Junior, een neef van Harald Klak. Deze werd door Lotharius gebruikt om onrust te stoken in Frisia, het meest noordelijke deel van het Frankische rijk, en om de handelsvaart daar zwaar te verstoren.

Met goedkeuring van Lotharius overviel Harald Junior onder meer Dorestad in het jaar 834, zo’n 14 jaar na de laatste grote Deense inval. Op uiterst brute manier werd de rijke handelsplaats geplunderd en verwoest. Lodewijk de Vrome reactiveerde daarop meteen de door Karel de Grote opgezette kustwachten, maar een jaar later werd Dorestad opnieuw overvallen door de Denen. Dorestad zou hierna nog herhaaldelijk ten prooi zijn gevallen aan Harald en zijn clansmannen, om vervolgens in 839 door Lotharius helemaal overgedragen te worden aan Harald Junior en diens broer Hroerekr (Rorik). Harald sloeg er in 836 ook al in om het grote Frankische verdedigingsbolwerk op het eiland Walcheren (Domburg) te overmeesteren en verkreeg uiteindelijk in 841 ook het leen hierover alsook over “omringende plaatsen” van Lotharius, wat tot grote consternatie zorgde bij de toenmalige elite:

Aan Haraldr, die met de andere Deense piraten gedurende enige jaren aan Frisia en andere christelijke kuststreken zoveel ongemak voor zijn eigen zaak tot nadeel van zijn vader had toegebracht, droeg hij -Lotharius- Walcheren en andere naburige plaatsen uit dank voor zijn verdienste in leen over. Een misdaad waarlijk is het, die alle afkeuring verdient, hen, die zoveel kwaad aan de christenen hadden gedaan, aan het hoofd te plaatsen van landen en volken der christenen en kerken van Christus, zodat de vervolgers van het christelijk geloof heersers der christenen werden en christenvolken onderworpen zouden zijn aan afgodendienaars! — De Annalen van Sint-Bertijn 830-882

Tijdens de decennia hierna bleef Walcheren dienen als uitvalsbasis voor de Noormannen. Van daaruit overvielen en verwoestten zij in 836 en 837 de nog jonge nederzetting te Antwerpen, het klooster van Sint-Frego te Deurne dat gekend stond als “Quorcolodora”, het klooster van Sint-Rumoldus te Mechelen, en roeiden of zeilden vervolgens via de Nete ook door naar het toenmalige Lier.

Nonnen, paters, kooplui en Vikingen

Lier bestond in die tijd uit een – waarschijnlijk klein – handelscentrum aan de linkeroever van de Kleine Nete (stroomafwaarts gezien) ter hoogte van de huidige Mosdijk en Vismarkt met in de buurt hiervan nieuwe en oude woonerven, en een religieus centrum aan de rechteroever. Daar bevond zich de door Sint-Gummarus opgerichte kapel ter ere van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, waar nu nog steeds de Sint-Pieterskapel staat, met daarnaast een klooster waarvan de zusters en broeders instonden voor het onderhoud van de kapel. Gummarus was een ridder aan het hof van Pepijn van Herstal die als graaf (?) belast was met het besturen van zijn mandaatgebied gelegen in het Land van Rijen. Hij verbleef voornamelijk in zijn villa in Emblem, van waaruit hij zijn landerijen beheerde.

(Afbeelding rechts: schilderij “de moord op priester Fredegerus”, 1689, te vinden in de Sint-Pieterskapel te Lier)

De Noormannen van de clan van Harald Junior arriveerden in 837 dus in Lier en plunderden het klooster en de kapel, en naar alle waarschijnlijkheid ook het bescheiden woon- en handelsgebied aan de overzijde van de Kleine Nete.

“Zij vielen in de kerk van de H. Apostelen, door St-Gommar gebouwd, vermoordden den priester Fredegerus en den misdienaar aan het altaar, poogden de kapel in brand te steken, die sieraaden te roven en het gehucht uit te plunderen. Doch opeens werden de barbaren geslagen, de eene met benauwdheid, de anderen met blindheid, zoodat zij elkanderen vermoordden, roepende: Godswraak! Godswraak! Onderwijl begonnen de klokken te luiden, en ter herinnering aan dit wonder worden tot heden al de klokken geluid, den donderdag voor St.-Andries.” (“Geschiedenis der stad Lier”, Anton Bergmann, 1878)

Waar en of priester Fredegerus en diens misdienaar uiteindelijk begraven werden is niet geweten, en of de Vikingen die Lier plunderden inderdaad plots blind en “benauwd” werden lijkt wel heel sterk, al hebben we het natuurlijk wel over de tijd dat er nog van wonderen en mirakels gesproken werd, dus wie weet. Hoe dan ook, tegen hun gewoonte in vernielden de Noormannen het klooster van Sint-Gummarus niet of niet volledig, en ook het graf van Sint-Gummarus in de kapel lieten zij ongemoeid. Iets heeft hen hiervan weerhouden. Zij vaarden echter wel meteen door tot in Emblem, waar zij de landerijen en het kasteel of de villa van de opvolgers van Sint-Gummarus in de as legden. Vermoedelijk werden de zusters en broeders van de kloostergemeenschap van Ledi die niet gevlucht waren gevangen genomen of vermoord, zoals het velen verging die ten prooi vielen aan de Vikingen. De kloosterlingen zouden gelukkig een aantal schatten en relikwieën tijdig verborgen hebben, zodat deze niet door de Noormannen gevonden werden.

Dat Lier na deze plundering niet zomaar was verdwenen, blijkt overigens uit het feit dat Lier in het Verdrag van Meerssen uit 870 vernoemd werd met de oude benaming “Ledi“. Antwerpen werd in deze tekst niet vernoemd, aangezien deze nederzetting wél compleet vernield was door de Noormannen. Na de overval op Ledi bleef de dreiging van de Noormannen bestaan en mogelijks zijn zij na 836-837 nog teruggekeerd naar Lier en omstreken. De toenmalige heer van het Land van Arkel liet vermoedelijk destijds nog een versterking genaamd “Anderstad” bouwen op de grens met het Land van Rijen, ter verdediging tegen de woeste Noormannen. De bewoners die wisten te ontsnappen aan de Noormannen keerden na een tijdje weer terug naar de plekken die hen het interessantst leken om hun bestaan weer op te bouwen; de meesten keerden terug naar waar zij reeds woonden vóór de inval, zoals de inwoners van Antwerpen en Deurne, anderen zoals de bewoners van Emblem verkozen wellicht dichter bij hun beschermheilige te gaan wonen, waardoor Lier mogelijks zijn eerste doorstart kende als woongebied.

Naar Engeland en weer terug

Na Lier en Emblem vielen de Noormannen niet stil, en trokken zij via de rivieren nog verder landinwaarts, plunderend en moordend. Zo arriveerden zij ook in Leuven, waar zij een groot kamp oprichtten. Uiteindelijk, in 865, trokken de Denen weer naar de kust van Oost-Engeland en vormden daar tezamen het “Great Heathen Army“, het Groot Heidens Leger. Pas wanneer koning Alfred de Grote dit leger versloeg in 879, trokken de Denen weer naar onze contreien op zoek naar makkelijkere prooi. Zo zeilden zij naar Calais en trokken van daaruit al plunderend en moordend met hun opgeëiste paarden door Vlaanderen naar Gent, waar zij hun schepen terug ontmoetten en overwinterden. Vijf jaren lang werden het gebied van en tussen het Hertogdom Vlaanderen, het Rijnland en Picardië compleet leeggeroofd, waarna de roofbendes in 885 naar het zuiden trokken, en via de Seine richting Parijs gingen. Eén van de hoofdmannen van deze reeksen overvallen was de legendarische Viking Ragnar Lodbrok. Of zij in die tijd Lier nog eens bezochten is niet bekend.

Bronnen:

  • “Geschiedenis der stad Lier”, Anton Bergmann, 1873 (heruitgave 1935).
  • “The Penguin Historical Atlas of the Vikings”, John Haywood, 1995.
  • “Het geheugen van Lier”, Rudy van Roy, Vosselaar, 2015.
  • “Felix G.A. Brenart – Leven en verering van Sint-Gummarus”, Liers Genootschap voor Geschiedenis, 2015.
  • “Geschiedenis van Lier”, E. Aerts en H. Vander Wee, 2016.
  • “De Franken in België en Nederland”, Luit van der Tuuk, 2016.
  • “Vikingen, Noormannen in de Lage Landen”, Luit van der Tuuk, 2017.
  • https://vikingenekeren.blogspot.com/

Deel dit bericht: