Het ontstaan van Lier

In de loop van de 5e eeuw trokken Salische Franken, een Germaans stammenverbond, onze streken in en vestigden zich daar waar eerder mogelijks al Gallo-Romeinse nederzettingen bestonden, of op nog onbewoonde plaatsen van strategische of agrarische interesse. Hun bewoning bestond toen nog voornamelijk uit afzonderlijke hoeven, die weliswaar onder leiding van een clanhoofd stonden, maar grotendeels voorzagen in hun eigen onderhoud.

Emlingaheem

De stam van een clanleider genaamd Eimo of Emmo zou zich in onze streken gevestigd hebben, met als hoofdvestiging “Emlingaheem” (wat zoveel wilde zeggen als “woonplaats van Emmo”). Deze lag vermoedelijk in het noordwestelijk deel van wat we tegenwoordig kennen als het dorp Emblem, op het stuk land tussen de huidige Broechemsesteenweg, de Tongelweg en de Oostmalsesteenweg. Gaandeweg groeide deze nederzetting uit tot een dorp, gelegen in het “Land van Ryen”.

Alliers

In die tijd stond het waterpeil van de Noordzee en de daarvan afhankelijke inlandse stromen en rivieren zoals de Nete een stuk hoger dan nu. De Nete moet toen een veel bredere rivier geweest zijn dan nu het geval is. Na het dalen van het waterpeil in de 7e eeuw kwamen echter lager gelegen gronden langs de oevers droog te liggen, die door slibafzetting bijzonder vruchtbaar waren geworden. Dankbaar maakte men hiervan gebruik om de landbouwgebieden uit te breiden, alsook de inkomstenstroom en de macht van de heer van dit gebied. De kleinere, tot dan toe onafhankelijke boerderijen in de grotere omgeving van Emblem kwamen meer en meer onder de invloed van de plaatselijke heersers, die op die manier uitgroeiden tot grootgrondbezitters en dit domein doorgaven aan de generaties na hen.

Eén van deze opeenvolgende heren van Emblem was Gummarus. Hij beheerde het domein waartoe onder andere ook de dorpen Kessel, Nijlen, Bevel en andere nederzettingen ten oosten van het toen nog te ontginnen gebied waar we vandaag de stad Lier kennen. De uitbreiding naar de lager gelegen gronden met nieuwe boerderijen van lijfeigenen ging vergezeld van een nieuwe bewoning door handels- en ambachtslieden, waardoor ten zuiden van de villa of het kasteel van Gummarus een nieuwe, kleine agglomeratie ontstond die we tegenwoordig Alliers noemen, oftewel “Oud-Lier”, gelegen tussen de huidige Ranstsesteenweg en de Liersesteenweg ten noorden van het hedendaagse Lier. Deze woonkern bestond los van de veel oudere nederzetting op het hoger gelegen terrein te Emblem.

Nivesdonck

In de tijd van Gummarus was het de gewoonte dat grootgrondbezitters handel dreven met de overschotten van de landbouwopbrengsten van hun domein. Dit gebeurde bij voorkeur via waterwegen vanwege de capaciteit, snelheid en veiligheid van dit soort verkeer. Vermoedelijk om die reden stichtte Gummarus een nieuwe havenplaats met beperkte bewoning aan de samenvloeiing van de Kleine en de Grote Nete. Deze plek was slechts een drietal kilometer van de oude woonkern gelegen aan dezelfde oever van de rivier, wat ervoor zorgde dat mensen en goederen telkens die afstand moesten afleggen richting Alliers en Emblem. Al snel trok de haven nieuwe (maar ook reeds in de oude agglomeratie gevestigde) koop- en ambachtslieden aan. Dit zorgde voor het ontstaan van een nieuwe kern van bewoning en commercie op de plaats waar we nu de Vismarkt en de Grote Markt van Lier terugvinden. De Grote Markt, met de typische vorm van de Frankische driehoek met in het midden een drinkplaats (“De Verloren Kost“) stond in voor de bewoning met huizen en boerderijen, terwijl de Vismarkt de plaats was waar de haven zich bevond.

De 7e en het begin van de 8e eeuw was overigens ook de tijd waarin de (vaak gedwongen) kerstening van onze gebieden op volle toeren draaide, gesteund door de Merovingische katholieke koningen en hun al even katholieke edelen, met hulp van missionarissen zoals Amandus, Eligius en Rumoldus. Die laatste zou volgens de overlevering in frequent contact gestaan hebben met Gummarus. Hierbij zou hij hem ervan hebben doen afzien zijn geplande bedevaart naar Rome te ondernemen, mogelijks omdat Rumoldus vreesde dat de kersteningsvoortgang van de plaatselijke bevolking hierdoor zou stagneren of ongedaan gemaakt worden. In plaats daarvan raadde hij Gummarus aan een bidplaats op te richten ter ere van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus. Deze bouwde Gummarus op de linkeroever (stroomafwaarts gezien) van de Kleine Nete, op de plek waar vandaag nog steeds de Sint-Pieterskapel te bewonderen valt. Naast de kapel werd een klein klooster gebouwd, waarvan de broeders en zusters instonden voor het onderhoud van de bidplaats. Het grondgebied waarop beide gebouwen zich bevonden werd “Nivesdonck” genoemd.

Ledo

De derde, nieuwe agglomeratie die ontstond door toedoen van Gummarus groeide al snel uit tot een dorp, dat zoals we in het Verdrag van Meersen (870) kunnen lezen door de plaatselijke bevolk “Ledo” genoemd werd (“Nomen huius villae antiquum Nivesdunc fuit, quod mutatum volgus Ledonem appelavit”), al werd Ledo in dit verdrag vooral vernoemd vanwege de kloostergemeenschap, zodat vermoed wordt dat het dorp van bescheiden omvang was. De naam “Ledo” wilde zoveel zeggen als “overzet” of “overtocht”, mogelijks naar het steeds drukker wordende verkeer van en naar beide oevers. De nieuwe woonkern overvleugelde vanwege de commercieel interessantere ligging en door de aanwezigheid van het steeds belangrijker wordende klooster met kapel al snel de oude agglomeratie Alliers, die geleidelijk aan zo goed als leeg gelopen was.

Ledo bleef groeien, ondanks de inval van de Noormannen in 837. Zij werden naar deze plaats gelokt vanwege de inmiddels sterk uitgegroeide verering rond de dan reeds lang overleden Sint-Gummarus, welke van het dorp een heus bedevaartsoord maakte, met flinke bedevaartinkomsten voor het klooster tot gevolg. Na de inval van de Vikingen keerden vele bewoners die tijdig gevlucht waren terug naar hun oude woonplaats en bouwden het dorp en het klooster weer op. Al snel bloeide woon- en bidplaats weer op en hernam het religieuze centrum zijn functie van bedevaartsoord weer op.

Lier

Hoe of wanneer de naam Ledo veranderde naar “Lier” is niet precies geweten. Mogelijks verbasterde de uitspraak van “Ledi” doorheen de eeuwen gewoon naar “Lier”. Vanwege de alsmaar belangrijk wordende invloed van het religieus centrum bouwde men, in de 10e eeuw, naast de Sint-Pieterskapel een Romaanse kerk, de Sint-Janskerk, gewijd aan Johannes de Doper. Later zou op die plek de huidige Sint-Gummaruskerk gebouwd worden. Deze nieuwe kerk deed meteen ook dienst als parochiekerk voor de agglomeratie aan linker- en rechteroever van de Kleine Nete. In die tijd was het religieus centrum op Nivesdonck uitgegroeid tot een semi-religieuze gemeenschap van broeders en lekenbroeders die van de hertog van Neder-Lotharingen het statuut van autonome kloostergemeenschap ontvangen had. De kloostergemeenschap aan de Sint-Pieterskapel ontving het statuut van kapittel van kanunniken, verantwoordelijk voor de organisatie van de Sint-Gummarusverering en voor de verzorging van het hele Sint-Gummarusdomein. Met de steun van de hertogen van Brabant verwierf de Lierse agglomeratie de status van vrijheid (oppidum), en later, dankzij hertog Hendrik I van Brabant in 1212, die van een heuse stad. De opmars van de lakennijverheid, waarbij wol werd getransformeerd tot laken stoffen, werd de verdere basis van de welvaart en groei van onze schoon Lier.

Bronnen:

Deel dit bericht: